Elektrisch/duurzaam varen

De VRA omarmt een snelle transitie naar volledig elektrisch varen met passagiersvaartuigen. Momenteel zijn 85% van de boten van onze leden al elektrisch aangedreven en dit percentage groeit gestaag. Tegelijkertijd is het van belang te onderkennen dat elk vaartuig en elke onderneming anders is en dat de gevraagde transitie en het bijbehorende tijdspad geen onredelijke risico’s voor de rederij, haar bemanning of passagiers mag opleveren. Zo snel als redelijkerwijs mogelijk.

In het bijzonder verdienen de historische boten (ouder dan 100 jaar) speciale aandacht. Gelukkig is in de Nota Varen in Amsterdam rekening gehouden met het bijzondere karakter van deze vaartuigen en zij hebben tot 2025 de tijd om hun boten om te bouwen naar elektrische aandrijving. Desalniettemin betrachten de VRA-leden eerder elektrisch te varen. Het spreekt voor zich dat een cruciale succesfactor het hebben van een goede (officiële) ligplaats met oplaadfaciliteit is. Het college zal zich dan ook hard moeten maken voor het realiseren van deze ligplaatsen om het verduurzamen van de vloot mogelijk te maken.

Momenteel wordt onderzocht of het plaatsen van snellaadstations op centrale plaatsen haalbaar is. Dat is een goede stap in het bereiken van de duurzaamheidsdoelstellingen. Belangrijk is de plaatsing van deze stations niet ten koste gaat van het gebruik van de openbare op- en/of afstaplocaties.

Een gedachte over “Elektrisch/duurzaam varen

  1. In de nota Varen in Amsterdam is vastgelegd dat alle vaartuigen of voor 2015 moeten voldoen aan de Fase 3B norm of per 2020 volledig elektrisch moeten varen. Gelet op de specificaties van de Fase 3B motoren is inbouw in klassieke of historische vaartuigen (de vaartuigen van onze achterban) niet haalbaar. De ondernemingen met nog van aandrijving te veranderen vaartuigen zullen aldus voor 2020 stevig moeten investeren.

    De verplichting de boten van elektrische aandrijving te voorzien mag geen onredelijke risico’s voor de onderneming met zich meebrengen. De kosten voor een dergelijke aanpassing bedragen, afhankelijk van het type vaartuig, thans tussen de € 50.000,– en € 150.000,–. In het segment klassieke en historische vaartuigen opereren vrijwel uitsluitend kleine ondernemers en (familie)rederijen (1 tot maximaal 7 boten) met, gezien de niet-toeristische aard van het product, een bescheiden omzet. Een investering ter omvang van bovengenoemde bedragen staat in zeer scheve verhouding tot de omzet en middelen die deze bedrijven ter beschikking (kunnen) hebben.

    Dat er desalniettemin in de afgelopen jaren een flink aantal salonboten zijn omgebouwd van diesel naar elektrisch is goeddeels te danken aan de beschikbare ‘subsidie verschoning luchtkwaliteit’. Wij hebben van de dienst Luchtkwaliteit vernomen dat deze subsidie per einde 2014 staakt. Daarmee dreigt een schrijnende situatie voor die ondernemingen die nog moeten verschonen. Immers is het elektrisch varen een vereiste voor het behouden van een exploitatievergunning.

    Het zou daarom in de rede liggen als het gemeentebestuur besluit om de subsidieregeling voor het verschonen van de rondvaart te verlengen/in stand te houden (net zoals deze regeling op de wal in stand blijft).

Reacties zijn gesloten.